De onderwijsinspectie concludeert dat scholen te weinig doen aan burgerschap. Zo is te lezen in het Parool dat er meer aandacht moet zijn voor de normen en waarden van Nederland. Wéér kritiek op onderwijzend Nederland. Gelukkig wijst de inspectie deze keer wél de juiste schuldige aan!

Wel eens gehoord van het vak “burgerschap” ? Waarschijnlijk niet… Voor veel scholen is dit géén vak wat opgenomen is in het lesrooster. Toch zijn scholen volgens de wet verplicht aandacht te besteden aan dit onderwerp. De inspectie concludeert in haar onderzoek dat op dit moment dit onvoldoende gebeurt.

Maatschappelijke stage

De maatschappelijke stage binnen het voortgezet onderwijs, was voor veel scholen één van de invulling wat betreft het onderwerp ‘burgerschap’. De uitgangspunten op de website van de maatschappelijke stage zijn;

Vrijwilligerswerk voor een non-profitorganisatie (denk aan een zorginstelling of vrijwilligersorganisatie) of een maatschappelijk project van een bedrijf waar géén sprake is van een winstoogmerk. De school mag maximaal 30 uur maatschappelijke stage per leerling meetellen als onderwijstijd. Dit mag verspreid zijn over verschillende schooljaren. De school is eindverantwoordelijk en bepaalt samen met de stagemakelaar, de stagebiedende organisatie en de leerling de invulling van de maatschappelijke stage.

Helaas is dit de enige concrete en duidelijke invulling voor het onderdeel ‘burgerschap’. Andere invullingen moeten zelf bedacht worden door scholen. Vervolgens moet door die desbetreffende school zelf duidelijk gemaakt worden wáárom dit onder burgerschap valt. Klinkt ingewikkeld toch? Dat is het ook! Het onderzoek van de inspectie merkt dan ook de volgende punten op;

 

  • de activiteiten vertonen weinig verband;

  • er is geen planmatige aanpak;

  • scholen formuleren niet wat ze leerlingen willen leren;

  • scholen hebben ook maar weinig zicht op wat leerlingen leren.

    Vrij vaag

De bovenstaande punten lijken dan ook niet meer dan logisch. Er wordt een vrij vaag begrip als ‘burgerschap’ gelanceerd, wat moet worden onderwezen. De exacte inhoud daarvan blijft vaag en ook het doel blijft vaag. Scholen krijgen de ‘vrijheid’ om er zelf invulling aan te geven. Deze vrijheid werkt echter verlammend, omdat er verder té weinig sturing wordt gegeven. Hierdoor is er op elke school weer een andere invulling en is er dan ook landelijk géén duidelijke lijn te ontdekken. Voor iets wat normen en waarden moet duidelijk maken, is dat natuurlijk een schadelijke zaak. Gelukkig erkent ook de inspectie dat ook, hierover schrijven ze het volgende;

Belangrijk is ook dat de overheid voor goede randvoorwaarden zorgt. Ondersteuning, duidelijke verwachtingen en vertrouwen zijn essentieel. Helder geformuleerde doelen in wet- en regelgeving kunnen helpen hierbij, waarbij duidelijk is wat de verplichte kern is en wat behoort tot de vrije ruimte. Niet minder belangrijk is steun, zoals ondersteuning van schoolontwikkeling, en ontwikkeling van aanpakken, instrumenten voor evaluatie en kennis.

Het vervolg

Laten we hopen dat scholen nu meer dan alleen een decreet van boven krijgen. Geef ze materiaal, doelen, methodes en duidelijke richtlijnen. Alleen op deze manier kan er recht gedaan worden aan dit, in essentie, belangrijke onderwerp.

Was getekend,

Een docent

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *